06-04-2007 - Humoristische woordenboeken
Het thema van de boekenweek, die binnenkort van start gaat, is humor en satire. Hier deel zeven van een serie over humoristische en satirische woordenboeken. Over de Proeve van een humoristisch-satyriek woordenboek der zamenleving uit 1845 van Iz.J. Lion.
Op 9 januari 1845 plaatste Iz.J. Lion (1821-1873) een advertentie in het Nieuwsblad voor den Boekhandel om zich aan te bieden als vertaler en corrector. In datzelfde jaar publiceerde hij bij de Amsterdamse uitgever S. de Grebber zijn Proeve van een humoristisch-satyriek woordenboek der zamenleving. Een pendant van alle woordenboeken en encyclopedieën. Lion was een broodschrijver die dichtte en vertaalde, redigeerde, essayeerde en zelfs een tijdlang stenografeerde in de Tweede Kamer. Langzamerhand ontwikkelde hij zich in de richting van de journalistiek. Daar bleek hij veel talent voor te hebben. Aanvankelijk was hij verbonden aan de liberale krant Grondwet, kort daarop aan de conservatieve Constitutioneel. Deze veranderlijkheid hielp hem aan de reputatie dat hij te koop was. Zelf was hij van oordeel dat niet hij van opvatting was veranderd, maar dat de liberalen geradicaliseerd waren.
In de jaren zestig van de negentiende eeuw werd hij hoofdredacteur van de leidende conservatieve krant, het Dagblad voor Zuid-Holland en ’s Gravenhage. Hij werd misschien wel de meest gehate journalist van het land. Allerlei tegen hem gerichte karikaturen en brochures zagen het licht. Sommige bladen duidden hem systematisch aan als ‘Judas Lion’ en ‘de schoelje’. De almanak van Asmodée liet in 1869 Lions zoon, die studeerde in Utrecht, klagen:
Dit alles laat onverlet dat Lion een invloedrijk en creatief journalist was. Hij introduceerde snelle verslagen van de Kamerdebatten en commentaren hierop, waarmee hij invloed kon uitoefenen op het vervolg van deze debatten. Lion wist veel en had een scherpe pen.
Zijn humoristisch-satirisch woordenboek leidt Lion in met een ‘Opdragt aan mij-zelven’: ‘Aan den dierbaarsten schat, dien ik bezit; aan hem, die mij nooit tegenspreekt, en mijn’ arbeid altijd voortreffelijk vindt, wat geen vriend op aarde een’ schrijver aanbieden kan, wordt dit werk, vol geest en humor en satyre, zeer nederig, en in het bewustzijn van deszelfs uiterst geringe waarde, als een groot blijk van onbegrensde hoogachting opgedragen!’ In de toelichting bij zijn onorthodoxe voorrede (gedateerd 1 april 1845) merkt hij op dat een aantal artikelen niet oorspronkelijk zijn.
Het woordenboek van Lion telt 88 bladzijden; de lemma’s variëren van één regel tot een opstel van tien bladzijden over de ‘Zaakwaarnemer’ en van twintig bladzijden over de ‘Spoorweg’. Ook deze disproportie moet als humoristisch procédé worden opgevat. Lion zoekt zijn omschrijvingen vaak in vergelijkingen. Graag mag hij schrijvers citeren; vooral de beroemde Duitse humoristische schrijver Jean Paul (1763-1825). Zijn antiklerikale neigingen moge blijken uit het lemma Jezuïten. Hij neemt nogal wat muzikale termen op en hij wil nog wel eens een woord van uitbundige lengte aan zijn pen ontwringen. De omschrijving van de ‘Salon des variétés’ begint bijvoorbeeld met ‘Tooneelsmaakgehoorengevoelenjongelui’sbeurzenbedervendinstituut’. Bij leeuw verwijst Lion naar lion, waar hij schrijft:
Lion beteekent in de modetaal, even als onder de dieren den koning, onder de gekken en modepoppen den hoofdgek. Hij geeft den toon der nieuwste modes aan; is gelukkig, wanneer hij een verheven balrokidée, of eene goddelijke kunstopvullingsphantasie gehad heeft, en geldt bij de menigte als de eerste man van de stad.
Volgens een advertentie in Asmodée van 23 november 1859 heeft Lion in het tijdschrift Momus van dat jaar een vervolg op zijn woordenboek gepubliceerd. Dat tijdschrift is echter niet in de grote bibliotheken aanwezig.
Bal - Een bal is een gezelschaps-spel van beschaafde, denkende menschen, waar jonge en oude lieden van beiderlei geslacht, met gevleugelde schreden en kugchende borst, door elkander wirrelen, en met verscheurde kleederen en verwaaide lokken, hoogzwoegende boezems en vurige oogen, hun leven naar het graf dansen.
Dagblad - In plaats van hanengevechten, hebben wij dagbladen, waarin arme duivels, die men daarvoor de kost geeft, elkander den goeden naam verscheuren, terwijl de philisters vrolijk uitroepen: ‘Zie! dat is eerst een haan! Dezen ginds dáár zwelt de kam! Die heeft een scherpe snavel! Het jonge haantjen moet zijne pennen eerst uitschrijven; men moet het aan-sporen, enz.!’ […]
Domheid - Een pas voor het geluk, een geloofsbrief voor ambten, rijkdom en ridderlinten.
Eeuwigheid - Is een dag zonder gisteren of morgen.
Europa - Is eene kaserne, waar 180 millioen menschen zich zeer moeten doen, om 3 millioen soldaten armzalig te betalen, te voeden en te kleeden.
Hollander - De Hollanders zijn (naar Jean Paul) eene goedkoopere uitgave der Duitschers op gewoon drukpapier.
Jezuiten - Jezuiten zijn de banditen-lijfwacht van den paus, de lintworm der onderkruiping, de beulsknechten van het gezonde verstand, de bloedschenders der Christelijke liefde, de zwijnen aan Gods disch, de etterbuilen der volksligchamen, de houtmieren aan de grondpilaren der staatsgebouwen, […] de binnenvoering van alle laaghartige streken, de nevelwolken aan het staatkundige uitspansel, de dwaallichten in de moerassen des bijgeloofs, de drijfmest op de akkerlanden van leugen en verraad, de henkers [beulen] van het vernuft, de molshoopen en de jalousiën in het daglicht van den tijd, de bezemsteel der heksen, de advokaten der hel, de doodgravers van alle menschelijk geluk, de grootmeesters van de orde der gepriviligeerde koningsmoordenaren, de ridders der duisternis, de accijnscommiesen van het contraband des verstands, de woedende honden op de jagt naar geluk, en over het algemeen de duivelsdrek van het geheele menschelijke leven.
Mensch - De mensch is een leeuw in de ezelshuid; een dwerg, die met moeite op de aarde voortschrompelt; een reuzencolossus, op den bol der vergankelijkheid en het voetstuk der oneindigheid staande; een straal des eeuwigen lichts, gevangen in de camera obscura der zinnelijkheid; een kind der onsterfelijkheid, gewikkeld in de windsels der magteloosheid; een edelgesteente uit de kroon van de wijsheid Gods, en gevat in het klatergoud van aardsche dwaasheid; een levend vraagteeken, eene eindelooze gedachtestreep, eene verpersoonlijkte tegenspraak, een raadsel, waarvan de dood-alleen de oplossing geven kan
Bron: nrc
Gepost door: pim123 op 06-04-2007 om 20:38
|
|